Niet-specifieke immuniteit, “innate immunity”

Niet-specifieke of aangeboren immuniteit reageert op het binnendringen van een micro-organisme in een tijdsbestek van minuten tot uren. Tot de cellen van de niet-specifieke immuniteit behoren o.a. granulocyten, monocyten, macrofagen, DC’s en NK-cellen. Neutrofiele granulocyten spelen een belangrijke rol in de niet-specifieke afweer.

Dergelijke cellen bezitten het vermogen om na adhesie aan geactiveerd vaatendotheel uit de bloedbaan de treden (diapedese) en op geleide van een concentratiegradiënt te migreren naar een ontstekingshaard, een proces dat chemotaxie wordt genoemd. Neutro’s hebben van alle cellen de grootste bewegelijkheid, worden met miljarden per dag in het beenmerg aangemaakt, maar hebben–eenmaal buiten het beenmerg­­­­− van alle leukocyten in de circulatie en daarbuiten een zeer korte levensduur (24-48 uur).
Zonder groeifactoren of andere activerende prikkels sterven zij via een proces van geprogrammeerde celdood (apoptose) waarbij hun toxische producten zoals proteolytische enzymen (elastase, cathepsine) niet vrijkomen.

Fagocyten bezitten op het celoppervlak receptoren voor specifieke suikerstructuren en verschillende vormen van lipopolysacharide en lipopeptiden. Deze “pattern recognition receptors” of Toll-like receptoren (TLR’s) zijn erop gericht om zonder tussenkomst van antistoffen of complementfactoren de buitenwereld af te tasten en hierop zonodig te reageren door rechtstreeks micro-organismen te binden en fagocyteren. Op deze wijze wordt een snelle eerste afweerreactie gevormd. De efficiëntie van binding en fagocytose wordt drastisch verhoogd indien de micro-organismen beladen zijn met antistoffen en complement. Deze worden herkend door receptoren voor IgG (FcγR’s) en complementfragmenten (CR’s).

Monocyten en weefselmacrofagen kunnen, evenals granulocyten, micro-organismen binden, fagocyteren en doden. Daarnaast kunnen ze evenals granulocyten biologisch actieve stoffen (cytokinen, groeifactoren en andere actieve stoffen) uitscheiden. Weefselmacrofagen ontwikkelen binnen enkele dagen uit monocyten die buiten de bloedbaan in een weefsel of orgaan is uitgetreden zijn. De levensduur van macrofagen bedraagt 3-4 maanden waarbij de cellen relatief “honkvast” zijn. Hoewel macrofagen hiertoe in staat zijn, spelen in de regulatie van de ontstekingsreactie en activatie van de specifieke immuniteit voornamelijk de gespecialiseerde antigeenpresenterende cellen (APC’s), de DC’s, een belangrijke rol.

De cytotoxiciteit van NK-cellen valt ook onder niet-specifieke immuniteit. NK-cellen kunnen tumorcellen en virus-geïnfecteerde cellen herkennen en doden, al dan niet via Fcγ-receptoren die celgebonden antistoffen kunnen binden. In het laatste geval spreken we van antistof-afhankelijke cellulaire cytotoxie (ADCC = extracellulaire killing zonder fagocytose). Hoewel NK ellen geen antigeenreceptroen dragen zoals de specifieke T- en B-cellen, is de laatste jaren duidelijk geworden dat NK-cellen een groot aantal receptoren heeft die via soortgelijke activerende en inhiberende “pattern-recognition receptoren” of (activerende NCR’s en remmende KIR’s) zeer actief kunnen reageren op veranderingen in de buitenwereld.