De belangrijkste functie van medicijnen

Het wordt nog weleens vergeten. Uiteindelijk neem je medicijnen maar om één reden tot je. Je moet je er namelijk beter van gaan voelen. Dat daar soms wat bijwerkingen bij komen kijken is tot daaraantoe. Het moet echter niet zo zijn dat je je juist door het nemen van de medicijnen alleen maar slechter gaat voelen. Toch gaat het juist op dit vlak vaak flink mis bij veel mensen. Daarom is het belangrijk om voor jezelf een aantal regels in acht te nemen die altijd gelden wanneer je medicijnen moet gebruiken. Het gaat dan in ieder geval om de volgende zaken.

Ken jezelf
Het is belangrijk dat je jezelf goed leert kennen. Denk er bijvoorbeeld altijd over na hoe het met je allergieën zit. Hoewel dit vaak ook wel bij een dokter bekend is, is het toch van groot belang hier altijd op te blijven letten. Vooral in het geval van een antibiotica-allergie gaat er vaak nog wel het één en ander mis. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat je middelen krijgt voorgeschreven waarin een kleine dosis zit. Dit kan echter bij sommige mensen al veel te veel zijn. Zo ben je dus uiteindelijk veel slechter af dan voordat je begon. Zo wordt de kuur erger dan de kwaal.

Je lichaamsfuncties
Een ander punt wat van groot belang is, is dat je zeker bent van de werking van je lichaam. Vooral waar het gaat om je nieren kan nog weleens een probleem ontstaan. Wanneer je nieren niet goed werken, dan kan dit veel gevaar opleveren wanneer je medicijnen moet slikken. Hier wordt recentelijk veel aandacht aan besteed. Het is namelijk gebleken dat veel gezondheidsproblemen voorkomen kunnen worden wanneer hier beter mee omgegaan wordt. Wanneer je dus twijfelt aan de werking van je nieren, dan kan het verstandig zijn om je te laten testen. Zo heb je zekerheid en weet je of medicijnen bestellen geen problemen oplevert.
 

Tekenen van een mogelijke immuunziekte

1. Frequente infecties
Bij sommige immuunziekten is de persoon, die hier last van heeft vaak ziek, maar ze lopen ook een groter risico om een infectie op te lopen. Ziekten wordt niet goed afgeweerd of het lichaam heeft zelf de cellen, die gewoonlijk vechten tegen die aandoening of ziekte, vernietigd.

2. Jeukende, verstopte neus of waterige ogen
Heb je vaak een allergie? Geloof het of niet maar allergieën worden veroorzaakt door een immuunstoornis waarbij het immuunsysteem soms ernstig overreageert op een gewone, meestal ongevaarlijke stof.

3. Frequent hoesten, ademhalingsproblemen of druk op de borst
 Ja, astma en soortgelijke problemen zijn ook immuunafwijkingen. Het immuunsysteem ziet rook, stof of andere stoffen als schadelijk en geeft hierop een overreactie, wat resulteert in een verstopping van de bronchiale buis.

4. Chronische ziekte
Als je vaker dan de gemiddelde persoon een verkoudheid, een griep of een andere ziekte hebt, is het waarschijnlijk niet verrassend dat je een immuunstoornis hebt. Een immuunafwijking kan de witte bloedcellen die verantwoordelijk zijn voor het vinden en vernietigen van virussen en bacteriën in het lichaam beïnvloeden.

5. Overmatige diarree
Helaas beïnvloeden sommige immuunziekten het vermogen van de darm om goed te functioneren, wat resulteert in diarree. Dit is niet altijd een teken van een immuunstoornis, maar het is meestal wel de meest herkenbare.

Oplossingen voor immuunafwijkingen

1. Raadpleeg een arts
De makkelijkste manier om om te gaan met een immuunafwijking is om de stappen te volgen, die een arts aanbeveelt. Dit klinkt misschien voor de hand liggend, maar het is verrassend wat mensen allemaal zelf doen voordat ze een dokter gaan zien.

2. Zoek naar geschikte medicijnen
Voor allergiepatiënten ligt dit voor de hand. Het belangrijkste is echter om alvorens beslissingen over medicijnen te nemen de symptomen te herkennen.

3. Neem een ​​vloeibare immuunbooster
De absorptiepercentages van het lichaam van vloeibare vitaminen zijn zo hoog als 98%, versus 5-18% absorptie voor vitaminen in capsulevorm. Immuunboosters bevatten veel vitamines, mineralen en toegevoegde ingrediënten, die zijn ontworpen om je immuunsysteem te stimuleren en om het in evenwicht te brengen.

4. Neem een ​​immuunbooster in capsulevorm
Zelfs immuunboosters in capsulevorm geven je immuunsysteem naast je normale dieet een ​​belangrijke boost. Hoewel de absorptiepercentages niet hoog zijn, bevatten de capsules meestal wel grote hoeveelheden van elke vitamine die je dagelijks nodig hebt, zodat je je immuunsysteem toch kunt geven wat het nodig heeft.

5. Gebruik een desinfectie-gel voor je handen Je zult verbaasd staan van wat er allemaal op je handen zit! Volgens het Center for Disease Control helpt het consistent gebruik van desinfecterende middelen voor je handen om verkoudheid en griep te vermijden. Het kan je als je een zwak immuunsysteem hebt ook helpen om je te beschermen tegen de bacteriën en de schimmels waaraan je wordt blootgesteld.

Immuunsysteem

Immunodeficiëntie stoornissen ontstaan wanneer één of meer componenten van je immuunsysteem ontbreken of wanneer het systeem niet naar behoren functioneert. Gebreken aan het immuunsysteem kunnen aangeboren of verworven zijn. Hoe dan ook, met problemen aan het immuunsysteem kunnen schadelijke micro-organismen gemakkelijk door de afweer van het lichaam dringen en iemand laten lijden aan verschillende ziekten.

Congenitale of primaire soorten
Als je geboren bent met deficiënties aan je immuunsysteem, wordt er gezegd dat je lijdt aan primaire immunodeficiëntie. Als je de primaire soort van deze ziekte hebt, kun je niet van het leven genieten zoals andere mensen dat doen. Jouw aanleg om allerlei besmettelijke ziekten op te lopen, kan in je kindertijd beginnen of je kunt er op latere leeftijd last van krijgen. De volgende zijn twee van de meest voorkomende voorbeelden van een aangeboren immunodeficiëntie stoornis.

IgA-deficiëntie
IgA verwijst naar je immunoglobuline A, dat in principe een groep antilichamen is die hoofdzakelijk in je luchtwegen en maag-darmkanalen voorkomen. Deze antilichamen zijn grotendeels in de vorm van vloeistoffen, die worden uitgescheiden in de genoemde gebieden en die vaak worden omschreven als de eerste verdedigingslinie van je lichaam tegen schadelijke indringers. Je kunt deze antilichamen ook vinden in het speeksel en in het traanvocht van je ogen.

Bij mensen met een IgA-deficiëntie produceert het lichaam onvoldoende hoeveelheden van deze specifieke klasse van antilichamen, wat betekent dat alle schadelijke micro-organismen je lichaam zonder moeite kunnen binnendringen. Het hebben van deze aandoening zal je gevoelig maken voor de meeste allergieën, verkoudheidsvirussen en andere infecties aan de luchtwegen.

Ernstige gecombineerde immunodeficiëntie
Ook wel bekend als SCID wordt deze immuunsysteemstoornis bepaald door een ernstig defect aan de productie van T-cellen in het lichaam. Je T-cellen kunnen in principe gezien worden als de mariniers van je hele verdedigingssysteem; T-cellen vormen niet alleen een defensieve wand maar ze zijn ook de elite gevechtseenheden, die eigenlijk de ongewenste indringers in je lichaam aanvallen. Nu kun je je wel voorstellen wat er gebeurt als je lichaam slechts een paar van deze soldaten heeft; het zal onmogelijk zijn voor je lichaam om infecties af te weren.

Een klassiek voorbeeld van SCID is een jonge jongen in Texas die probeerde te leven in een gesteriliseerde plastic tent om te voorkomen dat micro-organismen zijn lichaam konden binnenkomen. Deze jongen werd een medische legende en staat bekend als de Bubble Boy en wat later werd deze ziekte ook de bubble boy disease genoemd.

Verworven of een secundair soort
De meesten van ons worden geboren zonder gebreken aan het immuunsysteem. Factoren zoals ondervoeding, ernstige infecties of nare bijwerkingen van sommige medicijnen kunnen echter bij sommige mensen storingen veroorzaken, waardoor het immuunsysteem van het lichaam kan verzwakken. Dit type immunodeficiëntie kan het volgende omvatten.

HIV/AIDS
Iedereen heeft wel gehoord van het Human Immunodeficiency Virus of HIV en het verworven Immunodeficiency Syndrome of AIDS. Langzaam maar zeker leidt deze ziekte tot de totale afbraak van het immuunsysteem. Het probleem wordt veroorzaakt door een virus dat het aantal T-cellen, met name de T-helpercellen, in het lichaam kan vernietigen. Zonder de T-helpercellen zal je lichaam zich niet kunnen verdedigen tegen allerlei infecties en andere schadelijke organismen. Je kunt HIV oplopen door onzorgvuldige of onbeschermde geslachtsgemeenschap en door gebruik te maken van injectie- of tattoeagenaalden, die besmet zijn met het virus.

Immuunafwijkingen veroorzaakt door medicatie
Soms kunnen afwijkingen van het immuunsysteem door medische behandelingen worden veroorzaakt. Denk bijvoorbeeld aan chemotherapie bij patiënten met kanker; van dit proces is bekend dat het niet alleen kankercellen, maar ook gezonde immuuncellen vernietigd. Ook mensen die transplantaties hebben ondergaan moeten medicijnen gebruiken die zijn ontwikkeld om de weerstand van het lichaam tegen het nieuwe orgaan te onderdrukken; die kan betekenen dat immuuncellen worden onthouden om hun functies uit te voeren.

Inderdaad, de gezondheid van je immuunsysteem is van groot belang om te kunnen overleven en is dus nooit vanzelfsprekend.

Specifieke immuniteit

Specifieke immuniteit komt trager op gang na een eerste contact met een micro-organisme (in een tijdsbestek van dagen, weken).
Herhaald contact met hetzelfde pathogeen leidt echter tot een sneller antwoord, dat bovendien heviger is.

De specifieke immuniteit wordt opgedeeld in humorale en cellulaire immuniteit.
Specifieke immuniteit komt trager op gang na een eerste contact met een micro-organisme (in een tijdsbestek van dagen, weken).
Herhaald contact met hetzelfde pathogeen leidt echter tot een sneller antwoord, dat bovendien heviger is.
De specifieke immuniteit wordt opgedeeld in humorale en cellulaire immuniteit.

Onder humorale immuniteit verstaan we B-lymfocyten en hun producten: de antistoffen, terwijl de cellulaire immuniteit wordt verzorgd door T- lymfocyten en hun producten: cytokines.
Er bestaan 2 soorten Tlymfocyten: helper- T-lymfocyten (met CD4-moleculen aan het celoppervlak) en cytotoxische T- lymfo yten (met CD8-moleculen aan het celoppervlak).

Het herkenningsmolecuul van B-lymfocyten is membraangebonden immunoglobuline. Via dit molecuul wordt de B-lymfocyt specifiek geactiveerd door antigeen -oplosbaar eiwit of polysaccharide, of celgebonden antigeen.

De effectormoleculen van geactiveerde B-lymfocyten, de antistoffen, hebben dezelfde specificiteit als de membraangebonden antistof.

Antigeenherkenning door T-lymfocyten verloopt ook via specifieke receptoren (T-celreceptor) met één verschil in vergelijking met B-lymfocyten. De T-celreceptor herkent alleen antigenen die in de vorm van peptiden gebonden aan HLA-moleculen worden ‘aangeboden’. Antigenen die door de cel zelf worden geproduceerd (endogene antigenen) worden op een andere manier gepresenteerd dan exogene antigenen zoals bacteriën.
Endogene antigenen, zoals virusantigenen en tumorantigenen, worden gebonden in klasse-1-HLA-moleculen (HLA-A, -B en -C) (4). Klasse-1-HLA-moleculen komen op alle kernhoudende cellen voor.

De T-celreceptor van een CD8-cytotoxische T-lymfocyt bindt met antigenen in klasse-1-HLA. Op deze manier kunnen cytotoxische Tcellen virus-geïnfecteerde cellen en tumorcellen elimineren.

Exogene antigenen worden gepresenteerd gebonden in klasse-2-HLA ( H L A – D P, -DQ en -DR).
C D 4 – T-lymfocyten herkennen antigenen gebonden in klasse – 2 – H L A.

Klasse-2-HLA komt slechts op een beperkt aantal celtypen voor. Antigeenpresentatie in klasse-2-HLA is derhalve voorbehouden aan klasse – 2 – H L A positieve cellen, met name dendritische cellen, monocyten, macrofagen en B-cellen.
CD4-T-helper-lymfocyten hebben vooral regulerende functies.
Het belang van HLA bij de cellulaire immuniteit wordt geïllustreerd door patiënten met het zogenaamde ‘bare lymphocyte’-syndroom. Bij deze patiënten ontbreekt klasse-II-HLA (soms ook klasse I).
Daardoor is er een ernstige cellulaire immuundeficiëntie.
Op basis van hun regulatoire functie kunnen T-helper-lymfocyten worden onderverdeeld in Th-1-, Th-2- en Tr-cellen.

Th-1-cellen produceren met name IL-2 en interferon-gamma en ondersteunen vooral de cellulaire immuunreactie.
Th-2-cellen produceren met name IL4 en IL5 en zijn meer betrokken bij antistofproductie.

Het evenwicht tussen type-1- en type- 2-cytokinen is bij infecties en ontstekingsprocessen vaak (tijdelijk) verstoord. Bij een groot aantal tumoren is een abnormale productie van IL-10 beschreven met als gevolg een verminderde cellulaire immuunrespons (6). Tr-cellen produceren naast IL-10 ook‘transforming growth factor-β’ (TGF-β) en remmen de Th-1-gemedieerde antitumorrespons.

Tegen veel micro-organismen wordt zowel een respons van B-lymfocyten als van T-lymfocyten opgewekt.
Als vuistregel kan men echter zeggen dat de humorale immuniteit (de B-lymfocyten en antistoffen) met name anti-bacterieel werkt en de cellulaire immuniteit ( T-lymfocyten) met name anti-viraal of anti-tumor, alhoewel bij lytische infecties ook neutraliserende antistoffen een belangrijke rol spelen.

Het specifieke immuunsysteem reageert gericht op een binnendringend micro-organisme.
Zowel antistoffen als T-cel receptoren worden in een zodanige verscheidenheid aangemaakt dat het repertoire in principe volledig is, dit wil zeggen ieder mogelijk micro-organisme (of onderdeel ervan, een antigeen-epitoop) wordt wel door een of meerdere antistoffen of receptoren herkend.
Deze verscheidenheid komt tot stand in een proces van herschikking van de genen tijdens de ontwikkeling van B-lymfocyten in het beenmerg en van T-lymfocyten in de thymus.

In een volwassen individu omvat het humorale immuunsysteem minimaal ongeveer 108 verschillende antistoffen (met bijbehorende B-lymfocyten) en het cellulaire immuunsysteem eveneens minimaal 108 verschillende T-lymfocyten.
Bij het eerste contact met een bepaald antigen wordt een primaire reactie opgewekt. Dit eerste contact kan in de vorm van een natuurlijk voorkomend micro-organisme zijn of in de vorm van een vaccin. Hierdoor worden de B-lymfocyten gestimuleerd die specifiek voor het antigen zijn. Deze stimulatie of activatie maakt dat deze specifieke B-lymfocyten zullen prolifereren (klonale expansie) en differentiëren tot antistofproducerende plasmacellen of tot geheugen-B-lymfocyten.
Deze reactie duurt 10-14 dagen. Bij een tweede contact met hetzelfde antigen verloopt de activatie sneller (3-7 dagen) en heviger. Indien een persoon na volledige vaccinatie in contact komt met het natuurlijk voorkomend pathogeen zal een activatie van geheugen-B-lymfocyten zeer snel leiden tot de aanmaak van grote hoeveelheden neutraliserende antistoffen die de persoon in kwestie zullen beschermen tegen ziekte. Voor de vorming van antistoffen tegen de meeste antigenen zijn er naast B-lymfocyten ook T- helpercellen nodig. De antistofrespons op dit soort antigenen noemt men dan T-cel-afhankelijk. Bacteriën met een polysaccharidekapsel (bijvoorbeeld Haemophilus influenza type b, pneumococcen, meningococcen) induceren een antistofrespons zonder de hulp van T-cellen.

Daarom worden deze polysacchariden geklasseerd onder antigenen die T-cel-onafhankelijk zijn.
Ook het T-cellulaire immuunsysteem ondergaat bij contact met een antigeen klonale expansie en ontwikkelen zich bijkomend geheugencellen.

Voor cytotoxische T-lymfocyten geldt dus evenals voor B-lymfocyten dat voorafgaande vaccinatie het antwoord op een latere natuurlijke infectie kan versnellen en versterken.

Niet-specifieke immuniteit, “innate immunity”

Niet-specifieke of aangeboren immuniteit reageert op het binnendringen van een micro-organisme in een tijdsbestek van minuten tot uren. Tot de cellen van de niet-specifieke immuniteit behoren o.a. granulocyten, monocyten, macrofagen, DC’s en NK-cellen. Neutrofiele granulocyten spelen een belangrijke rol in de niet-specifieke afweer.

Dergelijke cellen bezitten het vermogen om na adhesie aan geactiveerd vaatendotheel uit de bloedbaan de treden (diapedese) en op geleide van een concentratiegradiënt te migreren naar een ontstekingshaard, een proces dat chemotaxie wordt genoemd. Neutro’s hebben van alle cellen de grootste bewegelijkheid, worden met miljarden per dag in het beenmerg aangemaakt, maar hebben–eenmaal buiten het beenmerg­­­­− van alle leukocyten in de circulatie en daarbuiten een zeer korte levensduur (24-48 uur).
Zonder groeifactoren of andere activerende prikkels sterven zij via een proces van geprogrammeerde celdood (apoptose) waarbij hun toxische producten zoals proteolytische enzymen (elastase, cathepsine) niet vrijkomen.

Fagocyten bezitten op het celoppervlak receptoren voor specifieke suikerstructuren en verschillende vormen van lipopolysacharide en lipopeptiden. Deze “pattern recognition receptors” of Toll-like receptoren (TLR’s) zijn erop gericht om zonder tussenkomst van antistoffen of complementfactoren de buitenwereld af te tasten en hierop zonodig te reageren door rechtstreeks micro-organismen te binden en fagocyteren. Op deze wijze wordt een snelle eerste afweerreactie gevormd. De efficiëntie van binding en fagocytose wordt drastisch verhoogd indien de micro-organismen beladen zijn met antistoffen en complement. Deze worden herkend door receptoren voor IgG (FcγR’s) en complementfragmenten (CR’s).

Monocyten en weefselmacrofagen kunnen, evenals granulocyten, micro-organismen binden, fagocyteren en doden. Daarnaast kunnen ze evenals granulocyten biologisch actieve stoffen (cytokinen, groeifactoren en andere actieve stoffen) uitscheiden. Weefselmacrofagen ontwikkelen binnen enkele dagen uit monocyten die buiten de bloedbaan in een weefsel of orgaan is uitgetreden zijn. De levensduur van macrofagen bedraagt 3-4 maanden waarbij de cellen relatief “honkvast” zijn. Hoewel macrofagen hiertoe in staat zijn, spelen in de regulatie van de ontstekingsreactie en activatie van de specifieke immuniteit voornamelijk de gespecialiseerde antigeenpresenterende cellen (APC’s), de DC’s, een belangrijke rol.

De cytotoxiciteit van NK-cellen valt ook onder niet-specifieke immuniteit. NK-cellen kunnen tumorcellen en virus-geïnfecteerde cellen herkennen en doden, al dan niet via Fcγ-receptoren die celgebonden antistoffen kunnen binden. In het laatste geval spreken we van antistof-afhankelijke cellulaire cytotoxie (ADCC = extracellulaire killing zonder fagocytose). Hoewel NK ellen geen antigeenreceptroen dragen zoals de specifieke T- en B-cellen, is de laatste jaren duidelijk geworden dat NK-cellen een groot aantal receptoren heeft die via soortgelijke activerende en inhiberende “pattern-recognition receptoren” of (activerende NCR’s en remmende KIR’s) zeer actief kunnen reageren op veranderingen in de buitenwereld.

De mens leeft in een wereld omringd door micro-organismen: virussen, bacteriën, schimmels en parasieten.

Schadelijke ziekteverwekkers zijn micro-organismen die ook in personen met een intacte afweer kunnen leiden tot ziekte en dood, zoals bij voorbeeld tetanus en tuberculosis.

Opportunistische infecties worden veroorzaakt door micro-organismen die slechts bij afweerstoornissen problemen geven. Er zijn veel micro-organismen waar de mens voordeel bij heeft, omdat zij helpen bij de spijsvertering, of door kolonisatieresistentie voorkómen dat ziekmakende pathogene micro-organismen een infectie kunnen veroorzaken (commensale micro-organismen).

Belangrijk is daarbij dat niet-immunologische functies (hoestreflex, urineafvloed, ontlasting) en de barrières als huid en slijmvliezen intact zijn.
Het immuunsysteem is opgebouwd uit een groot aantal cellen en moleculen, die door onderlinge interactie in de lymfoïde organen zorgdragen voor een adequate immuunrespons bij infectie. Het wordt onderverdeeld in aangeboren, niet-specifieke immuniteit (“innate immunity”) en verworven, specifieke immuniteit (“adaptive immunity”).

Er is een aanzienlijke communicatie over en weer tussen beide systemen. Beide bevatten zowel oplosbare of humorale factoren als cellulaire componenten. Niet-specifieke immuniteit vormt de eerstelijns verdediging tegen infecties en is vanaf de geboorte aanwezig en actief. Tot de cellen van het niet-specifieke immuunsysteem behoren o.a. granulocyten, monocyten, macrofagen, dendritische cellen en “natural killer” (NK)-cellen.

Naast cellulaire factoren zijn er ook een aantal humorale factoren zoals complement factoren en mannose-bindend lectine (MBL). Specifieke immuniteit komt wat langzamer op gang in een immuunrespons, is niet direct inzetbaar, maar leidt wel tot een soort geheugenvorming waardoor bij een tweede contact met het micro-organisme een snelle en gerichte reactie op gang komt. De belangrijkste cellen van de specifieke immuniteit zijn de T-cellen, die de cellulaire immuniteit verzorgen. Onder de T-cellen hebben de CD4+ T-cellen een sterk regulerende functie, waarbij cytokinen een belangrijke rol spelen. De CD8+ T cellen of cytotoxische T cellen (CTL’s) elimineren virus-geïnfecteerde cellen of ontregelde tumorcellen indien voldoende herkenbaar voor de afweercellen.

De humorale immuniteit wordt verzorgd door B-cellen en hun producten, de antistoffen of immuunglobulinen. De antistoffen binden specifieke eiwit of suikerdeterminanten (epitopen) op de ziekteverwekkers en –in wisselende mate– tot complementactivatie (opsonisatie) en complementgemedieerde dood (lysis), of herkenning door fagocyten (granulocyten, monocyten, macrofagen) die antistof- en complement-beladen micro-organismen herkennen en na massale opname (fagocytose) intracellulair verteren (killing).

Het immuunsysteem heeft als taak om het lichaam te verdedigen tegen infecties en mogelijk ook ongecontroleerde groei van tumorcellen. Daar waar de afweer tekort schiet kan het immuunsysteem worden versterkt door vaccinatie of door immunotherapie. De effectormechanismen van het immuunsysteem zijn destructief van aard en leiden tot aanzienlijke schade van weefsels en organen door gerichte afweer of zelfs ontregelde reacties tegen eigen lichaamsbestanddelen. Het immuunsysteem moet zichzelf daarvoor goed onder controle houden om een balans te hebben tussen beschermende immuniteit en immunopathologie door (auto)inflammatie en autoimmuniteit.